De literatuurlijst bij het handboek

Mommsen (Humboldt-Universität, Berlijn)
9 september 2021

Ik heb nu al een paar keer geblogd over de handboekstof voor oudhistorici, maar hoorde dat de begeleidende werkcolleges niet overal meer bestaan. Ook hoorde ik dat het voorkomt dat docenten geen tijd toegewezen krijgen om zich voor te bereiden. Het tweede is nog erger dan het eerste. Een docent die is gespecialiseerd in, pakweg, de laat-Romeinse stad, moet zich inlezen als het gaat over, pakweg, het Macedonische koningschap of de Midden-Bronstijd. Krijgt zo’n docent die voorbereidingstijd niet, dan is er grote kans dat hij terugvalt op kennis uit zijn eigen handboekencollege. Dan verstrekt hij zijn studenten dus verouderde informatie. Dat is dubbel jammer, want veel geschiedenisstudenten specialiseren zich na hun eerste jaar in een ander tijdvak. Over de Oudheid hebben ze dan eigenlijk alleen verouderde informatie gekregen.

Goed academisch onderwijs – waarmee ik weinig van doen heb maar waar ik wel bezorgd over ben – veronderstelt een docent die breed overzicht heeft en veronderstelt bovendien werkcolleges om de stof te bespreken. Misschien dat het gebrek aan discussie nog valt te compenseren met een goed hoorcollege. Ik wil zelfs nog aannemen dat zo’n hoorcollege digitaal kan. Maar die docent, die moet wel zijn tijd krijgen om zich te voorbereiden.

Literatuurtentamen

Wat ook nodig is, is een goed literatuurtentamen. Ikzelf zou de studenten kennis laten maken met de Grote Geleerden Van Weleer. Wie in zijn eerste jaar al iets krijgt toegeworpen van de huidige massaproductie van artikelen, is voorgoed zijn liefde voor de Oudheid kwijt. Veel artikelen zijn immers ronduit onvoldragen. (In mijn vorige boek, dat over papyri, noem ik wetenschappers die al bezig waren met conclusies vóór in het lab was vastgesteld dat ze geen slechte vervalsing in handen hadden. In mijn volgende boek noem ik een onderzoeker die al weet waar Hannibal over de Alpen trok vóór hij wist welke informatie er feitelijk was. De peer review verhindert niet dat “onderzoekers” praten voor hun beurt.) Andere artikelen zijn te gedetailleerd om te inspireren. Die Grote Geleerden Van Weleer spraken zelden het laatste woord, maar stelden wel het grondigst de echte vragen.

Wat zou ik voor eerstejaars geschiedenisstudenten op de literatuurlijst  zetten? In elk geval iets van Theodor Mommsen, bijvoorbeeld de beroemde evaluatie van het optreden van Caesar. Dat de analyse van de populares, door Mommsen zonder meer aangeduid als Fortschrittspartei, niet deugt, is niet erg. Studenten mogen leren dat er discussie is en ontdekken dat ook Nobelprijswinnaars ernaast kunnen zitten.

Het vak is ook leuk

Van Mommsen is het een kleine stap naar zijn schoonzoon Ulrich von Wilamowitz-Moellendorff. Dat een deel van Euripides’ werk is overgeleverd in enerzijds de geannoteerde schooleditie die we ook hebben voor Aischylos en Sofokles en in anderzijds een deel uit het alfabetisch geordende verzameld werk, is nog steeds leuke lectuur. Die tekst kun je laten lezen met iets van Gordon Childe, bijvoorbeeld een deel uit The Dawn of European Civilization. Het plezier is bij beide auteurs op elke pagina te proeven. Dat is het voornaamste dat ik studenten zou meegeven: dat het vak leuk kan zijn. Dat het ook serieus is, zullen ze al wel weten.

Ik zou ook de korte autobiografie van Karl Julius Beloch laten lezen: een sarcastische tekst vol dodelijke en intens persoonlijke polemiek tegen collega’s (“sidderende ossen”). Nuttig tegengif voor het eerstejaarscollege wetenschapsleer, waarin doorgaans wordt verteld wat wetenschap hoort te zijn en niet wat het is.

Dichterbij huis

Van Henri Pirenne zou ik het tweede en derde hoofdstuk van Mahomet et Charlemagne op de literatuurlijst plaatsen. Daarin beargumenteert hij dat de Germaanse invallen geen gevolgen hadden gehad voor “Romania”, zoals hij de laat-Romeinse cultuur noemt. Dat is overdreven, maar het is wel zo dat het Romeinse Rijk de Germanen assimileerde. Het is bovendien boeiend dat Pirenne nauwelijks archeologisch materiaal noemde toen hij dit schreef. In feite liep hij op een halve eeuw archeologie vooruit. Diezelfde halve eeuw archeologie heeft natuurlijk het tweede deel van zijn these weerlegd, dat de Romeinse cultuur ten einde kwam door de opkomst van de islam. Het lijkt me echter nuttig dat studenten leren dat totale omkeringen van perspectief mogelijk zijn. Alleen door alle categorieën bewijsmateriaal erbij te halen, kunnen we ontkomen aan de flexibiliteit waarmee geschreven bronnen zich laten interpreteren.

Tot slot zou ik Archimedes van Dijksterhuis nemen. De antieke wetenschappen zijn in alle opleidingen een onderschat onderwerp. Logisch, want wij weten nu eenmaal meer en doorgaans ook beter. Maar zeker een genie als Archimedes verdient het bij de eerstejaars bekend te zijn om wie hij was, en niet om onware verhalen over brandspiegels of leutige anekdotes over badkuipen.

Deel dit blog:
Alpenpas gezocht

Je zou denken dat intelligente mensen alleen maar heel verstandige dingen doen en hun tijd besteden aan heel belangrijke zaken. Read more

Caesar in Rome: de “Rechtsfrage”

Ik liet u gisteren achter met de Senaatsvergadering die Marcus Antonius buiten de stad Rome had georganiseerd op de kalenden Read more

Theodor Mommsen

Onlangs realiseerde ik me dat ik nog nooit had geblogd over Theodor Mommsen. Tijd om iets recht te zetten. Mommsen Read more

Het Ur der Chaldeeën

Van alle steden uit het oude Nabije Oosten zal “het Ur der Chaldeeën” na Babylon wel het bekendste zijn. Volgens Read more


Categoriën: Nog te categoriseren