De late Stoa 8: Epictetus en de dingen binnen onze macht

Portret van een filosoof (Afrodisias)
1 mei 2021

[De stoïcijnse filosofie ontwikkelde zich van de nogal theoretische vroege stoïcijnse school in Griekenland, via de eveneens Griekse maar meer eclectische midden-Stoa ten tijde van de Romeinse republiek, naar de late Stoa uit de vroege Romeinse keizertijd, die vooral praktisch was: de laatste behandelen we in deze korte serie. Het eerste deel is hier.] 

De kern van Epictetus’ leer wordt goed samengevat in het volgende citaat: ‘Geef mij de moed te accepteren wat niet in mijn vermogen ligt, de kracht om alles te doen wat in mijn vermogen ligt, en de wijsheid om tussen die twee een onderscheid te maken.’

Volgens Epictetus zijn er dus twee scenario’s: soms zijn we bij machte dingen te veranderen en soms liggen dingen buiten onze macht. De dingen die buiten ons vermogen liggen zijn veelal omstandigheden. Daar kunnen we vaak maar weinig aan doen. Maar binnen onze macht ligt onder andere onze houding tegenover die omstandigheden. Dus stel, je breekt je been op een heel onhandig moment. Dan kun je je daar wel over lopen opwinden, of bij de pakken neerzitten, maar je kunt de situatie zoals die is toch niet veranderen. Wat je wél kunt doen is er het beste van maken, bijvoorbeeld door eindelijk te mogen genieten van de voorgeschreven rust.

Je verzetten tegen zaken waar je geen invloed op hebt, is het ultieme recept voor ongeluk. Waar we echter wel invloed op kunnen hebben, zijn dus in de eerste plaats onze eigen emoties.

Aan ander voorbeeld. Als ik ruzie met iemand heb, dan ben ik kwaad omdat hij de zaken anders ziet dan ik. Dan kan ik proberen hem te overtuigen, misschien wel met succes. Maar als dat succes uitblijft, dan heeft het weinig zin daar kwaad over te zijn. Want dan zijn er twee dingen mogelijk:

De ene uiterste mogelijkheid is dat ik gewoon ongelijk heb. Ik maak een denkfout, en ben dus onterecht kwaad. Daarmee berokken ik vooral mijzelf schade.

De andere uiterste mogelijkheid is dat ik wél gelijk heb. Maar ook dan ben ik onterecht kwaad. Want de ander doet aan zelfbedrog, en dan moet ik niet kwaad op hem zijn, maar kan ik beter medelijden hebben. Immers, door een denkfout te maken doet die ander vooral zichzelf schade aan.

In beide gevallen is het dus onredelijk om kwaad te zijn. Daar heb ik uiteindelijk alleen mezelf mee. En op datgene waarop ik kwaad ben, heb ik weinig invloed. Maar het ‘kwaad worden’ doe ik uiteindelijk zelf, en dat proces kan ik wel beïnvloeden, bijvoorbeeld door mildheid te betrachten, een open houding aan te meten of afleiding te zoeken.

Door tot rede te komen kan ik mijn kwaadheid te lijf gaan. En dat is aan te raden, want kwaadheid is zoals gezegd een bijzonder onprettige emotie, die tot weinig goede zaken leidt. Dat zagen we bij Seneca ook al.

[Morgen meer. Deze serie bevat een aantal hoofdstukken van het boek De wereld vóór God, waarin de filosofische stromingen van de oudheid, van China tot Rome, voor de leek zeer laagdrempelig maar toch vrij uitgebreid wordt uitgelegd. Het hele boek is hier te bestellen.]

Deel dit blog:
De late Stoa 10: zelfprogrammeren

[De stoïcijnse filosofie ontwikkelde zich van de nogal theoretische vroege stoïcijnse school in Griekenland, via de eveneens Griekse maar meer Read more

De late Stoa 6: de vrije wil

[De stoïcijnse filosofie ontwikkelde zich van de nogal theoretische vroege stoïcijnse school in Griekenland, via de eveneens Griekse maar meer Read more

De late Stoa 5: Seneca en de dood

[De stoïcijnse filosofie ontwikkelde zich van de nogal theoretische vroege stoïcijnse school in Griekenland, via de eveneens Griekse maar meer Read more

De late Stoa 4: Seneca – gehecht en onthecht

[De stoïcijnse filosofie ontwikkelde zich van de nogal theoretische vroege stoïcijnse school in Griekenland, via de eveneens Griekse maar meer Read more


Categoriën: Romeinse Keizerrijk