De eeuwige negentiende eeuw

Djedefre (Louvre)
12 november 2020

Het kernprobleem van de oudheidkundige disciplines is het tekort aan data. Je hebt, denk ik, ongeveer vijftien boekenkasten nodig om alle literaire teksten, papyri, kleitabletten en monumentale inscripties bij elkaar te zetten. Laten we zeggen honderd strekkende meter. (Ter vergelijking: de Nederlandse Rijksoverheid produceert zo’n anderhalve kilometer archief per jaar.) Uiteraard moeten we hieraan de snel toenemende hoeveelheid archeologische data toevoegen, maar desondanks mag ik wel stellen dat de oudheidkunde meer dan andere wetenschappen wordt geteisterd door datagebrek. Het nadenken hierover maakt het vak ook zo boeiend.

Nou willen we dat verleden graag verklaren. Anders is geschiedenis ook maar one damn thing after another. Als je weinig data hebt, wordt dat verklaren – per definitie het leggen van verbanden tussen gegevens – echter knap lastig. Er zijn historici die denken dat de verbanden die er ooit waren überhaupt niet langer te reconstrueren zijn. De schaarse stukjes informatie krijgen pas betekenis als historici ze in een nieuw verhaal samenbrengen. Zulke verhalen zijn dan echter nauwelijks wetenschappelijk te noemen: wat empirisch zwak is, is lastig te toetsen en daardoor ook moeilijk te weerleggen.

Ik denk dat de bovenstaande visie te pessimistisch is en nodeloos onwetenschappelijk. Er is in de oudheidkunde wel degelijk vooruitgang mogelijk. De hoeveelheid data mag dan te klein zijn, ze groeit gestaag en daardoor worden van tijd tot tijd puzzels opgelost. De grootste doorbraak van de afgelopen jaren was het vaststellen van de Mesopotamische chronologie, wat mogelijk werd doordat er nieuwe gegevens bij waren gekomen.

Vooruitgang is er de afgelopen eeuw ook geweest doordat oude sjabloons richting schroothoop gingen. Er was en is geen tegenstelling tussen een mystiek oude Nabije Oosten en een Griekse beschaving waar voor het eerst de menselijke maat werd ontdekt. Dat is een negentiende-eeuws idee dat vooral veel zegt over de wijze waarop Europa toen naar Azië keek. Het heidendom is niet in een grootse en heroïsche doodsstrijd ten onder gegaan. Dat is een terugprojectie van het negentiende-eeuwse conflict tussen confessionele en seculiere partijen. En het Romeinse Rijk is niet gedesintegreerd door barbaarse invallen. Dat zegt vooral veel over de negentiende-eeuwse angst over de toekomst van de eigen imperia.

Het laatste voorbeeld noem ik natuurlijk met opzet: Mark Rutte blijft doodleuk appelleren aan het negentiende-eeuwse “grote verhaal”. De mythe is nog altijd niet helemaal vergeten. Ook stoere verhalen over heidenen die strijdend ten onder gaan en stereotypen over het oude Nabije Oosten blijven circuleren. Mensen houden blijkbaar van die verhalen, die het voordeel hebben dat ze redelijk bekend zijn en vaak spannende lectuur opleveren. (U moest eens weten hoe vaak ik vragen krijg van alleszins verstandige mensen die hun kennis over de Oudheid ontlenen aan het oeuvre van de achttiende-eeuwse Britse oudhistoricus Edward Gibbon. Dat is zoiets als een montgolfière gebruiken terwijl er vliegtuigen zijn.)

Ook op een andere manier is de negentiende eeuw nog steeds bij ons. De grote Altertumswissenschaftler die de hoofdlijnen van de oude geschiedenis vastlegden, waren mensen van hun tijd en organiseerden het verleden langs negentiende-eeuwse lijnen. Ik bedoel nu niet de grote sjablonen (superieur Europa versus inferieur Azië, humanisme versus religie, imperium versus barbaren) maar de begrippen.

  • Geschiedenis werd een verhaal van koningen, hoewel je je kunt afvragen of het hoofd van de grote Bronstijdorganisaties, de Sumerische lugal of de Egyptische farao, wel een koning was in onze zin van het woord.
  • Geschiedenis werd ook een verhaal over steden, hoewel je de vraag mag stellen in welke zin je Ur en Memfis in het derde millennium v.Chr. steden kunt noemen als er nog geen markteconomie was.
  • Geschiedenis werd verder een verhaal over grote staten, al heb je van veel antieke wereldmachten de indruk dat wat voor een staat moet doorgaan, in feite niets anders was dan een dynastie die bezig was tribuut te innen.

Wat ik maar zeggen wil: de negentiende eeuw is in de oudheidkunde nog steeds aanwezig. Is het niet in de grote sjabloons, dan is het wel in centrale begrippen als heerschappij, urbanisme en staat.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Dertig Egyptische dynastieën en drie Egyptische rijken

Zoals ik al eens vertelde, ben ik begonnen met het herlezen van het handboek waarmee ik in mijn eerste jaar Read more

De beslissendheid van Marathon

Eergisteren blogde ik over de slag bij Marathon, waarin de Atheners een Perzisch leger, dat zich al aan het terugtrekken was en zijn dekking door Read more

Wat is een grens? (2)

[In het eerste deel van dit artikel constateerde ik aan de hand van Baktrië en Germanië dat machtsuitoefening – dat wil zeggen: dat je Read more

Oude talen, modern nationalisme

Alvorens verder te gaan met deze reeks over de eerste resultaten van het oudheidkundige DNA-onderzoek, eerst een herinnering aan mijn Read more