De eerste landbouwers

Stamboom van het Aziatisch en Europees DNA (klik = groot; ©Archaeogenetics Research Group, universiteit van Huddersfield)
12 november 2020

Oudheidkundigen maken sinds de zeventiende, achttiende eeuw gebruik van drie soorten bewijsmateriaal: geschreven bronnen, materiële resten en parallellen in andere samenlevingen. Drie vensters op het verre verleden. Met het DNA-onderzoek, waar ik het gisteren al over had, gaat nu een vierde venster open. Ik rondde mijn vorige stukje af met een verwijzing naar de stamboom van DNA-groepen (hierboven) en vroeg uw aandacht voor de ongebruikelijke vertakking onder H. De verspreiding daarvan lijkt samen te hangen met de verspreiding van de landbouw.

Het ontstaan daarvan is een beetje een puzzel, die steeds verandert als er ergens oudere vondsten worden gedaan. De laatste keer dat ik het opzocht leek het erop dat ergens rond 9500 v.Chr. mensen aan de bovenloop van de Eufraat begonnen met de teelt van tarwe, meer precies eenkoorn en emmer. Na een eeuw of vijf werden de eerste schapen en geiten getemd in de Zagros– en Taurusbergen. Veeteelt is dus een latere ontwikkeling dan akkerbouw. Ruwweg tegelijk ontstond de eerste monumentale architectuur: ik blogde al eens over de fenomenale monumenten die zijn aangetroffen in Göbekli Tepe en Sanli Urfa. Vee en varkens volgden en het eerste aardewerk in het Nabije Oosten dateert van ruwweg 7000 v.Chr. In vijfentwintig eeuwen was de samenleving ingrijpend veranderd – archeologen noemen dat een revolutie.

Vanuit oostelijk Anatolië verspreidde de landbouw zich over de oude wereld. Tegen de tijd dat het aardewerk werd uitgevonden, dus rond 7000, werden de eerste boerderijen al gebouwd aan de kusten van de Egeïsche Zee, duizend jaar later vond er akkerbouw plaats op het Balkan-schiereiland, daarna kroop de landbouw als het ware langs de Donau westwaarts, tot rond 5000 ook aan de Atlantische Oceaan boeren woonden. De eerste boeren zijn archeologisch herkenbaar aan hun aardwerk, dat bekendstaat als “bandkeramiek”. Een andere route naar het westen liep via Italië naar het Iberische Schiereiland, en een derde route was langs de kust van noordelijk Afrika.

Lange tijd bestond de vraag hoe de landbouw zich verspreidde. Eén theorie was dat mensen haar overnamen van hun buren, door imitatie dus, waarna het in een regio al snel de dominante productiewijze was. Boeren kunnen immers veel meer voedsel produceren dan jagers en verzamelaars, wat wil zeggen dat een hogere bevolkingsdichtheid mogelijk wordt. Waar mensen boer werden, overvleugelden hun kinderen de rest van de bevolking, zodat binnen een generatie een samenleving van jagers en verzamelaars kon worden veranderen in een boerenmaatschappij.

Inmiddels blijkt dat alles toch genuanceerder te liggen, om niet te zeggen: onwaar te zijn. De boeren die naar het westen trokken, lijken hetzelfde mitochondriaal DNA te hebben gehad, dat behoorde tot groepen N1a, K1a en H. En H waaierde dus uit in allerlei vormen: een bevolkingsexplosie.

Voor ik verder ga: we hebben hier te maken met onderzoeksresultaten die niet alleen heel nieuw zijn, maar ook heel schaars. We zouden veel meer tests van antiek DNA willen hebben voordat we werkelijk stellige uitspraken kunnen doen. De informatie die ik hier geef, is nog meer dan anders ad hoc.

In elk geval dit lijkt ruwweg zeker: de landbouw verspreidde zich niet naar het westen door imitatie, want dan zou er continuïteit moeten zijn in het Europese DNA. In de praktijk zien we groepen als U4, U5 en V verdwijnen en de bovengenoemde DNA-groepen dominant worden, wat erop duidt dat de meeste boeren afstamden van boeren uit Anatolië.

Dat er sprake was van migratie, blijk ook uit het Y-DNA, het DNA dus dat kan worden gevonden op uitsluitend van vader op zoon doorgegeven Y-chromosoom: we zien bij landbouwers vaak de groep die bekendstaat als G2a. Belangrijker nog is dat we nauwelijks vermenging zien van de bevolkingsgroepen. De landbouwers hebben de jagers en verzamelaars domweg vervangen.

Nog een laatste punt: landbouwers eten per definitie meer graan dan jagers en verzamelaars of vissers. Dat betekent dat ze minder vitamine-D krijgen en dat betekent weer dat landbouw niet zo goed is voor de gezondheid, tenzij je een andere bron hebt van vitamine-D. Er is geopperd dat de overgang naar landbouw beter mogelijk was als mensen door een mutatie een lichtere huid hadden en dus meer vitamine-D opnamen. Eén van deze groepen staat bekend als E1b1b1b1a of ook wel M81 en is te vinden langs de zuidelijkste van de drie genoemde routes westwaarts: zij trokken Egypte binnen en langs de kust bereikten ze uiteindelijk Marokko.

Indien dit klopt, is het verschil tussen blanke en zwarte mensen pas heel kort geleden ontstaan en is dit het DNA-bewijs voor wat we al wisten uit het fysisch antropologische materiaal maar in sommige kringen wordt ontkend: dat de Egyptische bevolking overwegend blank was.

[Wordt vervolgd]

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Eigenlijk zou de DNA-revolutie “hermeneutische revolutie” moeten heten

Ik heb het regelmatig over de DNA-revolutie. Dat zou momenteel het belangrijkste thema in de oudheidkunde moeten zijn. Simpel gezegd: Read more

De DNA-revolutie

In de loop van de twintigste eeuw hadden oudheidkundigen verschillende verklaringen voor de permanente veranderingen binnen de antieke culturen. Eén Read more

Isotopenonderzoek

Ik heb al een aantal keren geschreven over de DNA-revolutie. Door het onderzoek naar zowel hedendaags als antiek genetisch materiaal Read more

DNA, Ieren, Etrusken, Karthagers en Chinezen

Voor de oudheidkundige is het DNA-onderzoek nog vooral een belofte. Ik heb in eerdere stukjes enkele ontwikkelingen geschetst, maar die Read more