De DNA-revolutie

Archaïsch leeuwtje (Antikensammlung, München)
16 november 2020

In de loop van de twintigste eeuw hadden oudheidkundigen verschillende verklaringen voor de permanente veranderingen binnen de antieke culturen. Eén daarvan, diffusie, hield in dat cultuuruitingen zich verspreidden doordat mensen ideeën, voorwerpen, gebruiken en instituties overnamen van hun buren. Als Griekse vaasschilders leeuwen gingen afbeelden, dieren die in Griekenland niet voorkwamen, zou dat motief wel zijn gekopieerd aan de oosterse kunst. Er is weinig reden hieraan te twijfelen.

Een ander mechanisme was evolutie: een interne ontwikkeling in een cultuur. Een voorbeeld is de steeds accuratere weergave van het menselijk lichaam in de Griekse beeldhouwkunst. Ook migratie, wisten oudheidkundigen, kon veranderingen verklaren, maar oudheidkundigen waren terughoudend met het inroepen van dit mechanisme. Eigenlijk viel alles te verklaren zonder volksverhuizingen.

De DNA-revolutie: de Prehistorie

Archeologen voelden zich dan ook wat ongemakkelijk toen ze ontdekten dat er wel degelijk grote migraties zijn geweest. De landbouw kwam vanuit Anatolië naar het westen; de sprekers van de Indo-Europese talen trokken vanuit het gebied benoorden de Zwarte Zee naar West-Europa, India en Iran.

De archeologen vonden dus een mechanisme om culturele veranderingen te verklaren terwijl andere verklaringen eigenlijk redelijk voldeden. De nieuwe vraag is: welke verklaring verklaart beter, verklaarde méér? Welk mechanisme had, in jargon, excess empirical content?

De DNA-revolutie: de klassieke tijd

Het beperkt zich niet tot de Prehistorie. De mobiliteit moet groter zijn geworden toen de Grieken leerden betere schepen te bouwen. De mobiliteit groeide nog meer toen de Romeinen een netwerk van verharde wegen aanlegden. En inderdaad: enkele epidemieën in de Romeinse tijd blijken goed te verklaren door toegenomen mobiliteit.

Een tweede vorm van bioarcheologisch onderzoek, het isotopenonderzoek, biedt bevestiging. Het lijkt er bijvoorbeeld op dat toen de Romeinen zich vestigden in het Nederlandse rivierengebied, de helft van de plaatselijke bevolking een migratieachtergrond had. Van diverse laatantieke heiligen uit België, waarvan het gebeente over is, is inmiddels vastgesteld dat ze inderdaad, zoals op te maken valt uit de heiligenlevens, niet zijn opgegroeid op de plek waar ze zijn overleden.

Deze veranderingen staan bekend als DNA-revolutie, hoewel het dus niet alleen gaat om DNA-onderzoek, maar ook om isotopenonderzoek. Archeologen kregen er een verklaringsmethode bij. Oudhistorici zijn momenteel geïnteresseerd in de veerkracht van het Romeinse Rijk, die werd aangetast door snel door het wereldrijk trekkende epidemieën. De grootste gevolgen zijn er echter voor de bestudering van de antieke literatuur, instituties, kunst en gebruiken.

De hermeneutische horizon

Neem een willekeurige antieke tekst. Die is niet geschreven voor ons en zal dus vragen oproepen. Een tekstwetenschapper zal proberen die op te lossen door vergelijkingsmateriaal te zoeken. Een onduidelijke passage in een Latijns gedicht uit de eerste eeuw v.Chr. probeer je in eerste instantie te verklaren vanuit de rest van het gedicht, daarna vanuit teksten van dezelfde dichter, vervolgens vanuit Latijnse teksten uit dezelfde eeuw. Als het zo niet lukt, werp je je netten wijder: jongere of oudere Latijnse teksten. Vervolgens Griekse teksten. En als ook dat niets oplevert, ga je kijken in bijvoorbeeld de Keltische, Aramese of Hebreeuwse literatuur of zelfs de teksten van het oude Egypte en Mesopotamië.

Je kunt het je voorstellen als een verzameling concentrische cirkels. Hoe verder je van het centrum weg gaat, hoe minder aannemelijk het is dat je iets van betekenis vindt. Een classicus zal dus niet snel kijken naar die buitenste cirkels. Dat is niet alleen omdat ze het Grieks en Latijn nu eenmaal beter beheersen dan de oosterse talen. Het is ook omdat de kans dat er in het oosten iets zinvols te vinden valt, gering is. Er is, om zo te zeggen, een buitengrens voor de betekenisvolle parallellen, een ‘hermeneutische horizon’, bepaald door wat praktisch mogelijk is en gerechtvaardigd vanuit de antropologische aanname dat wat ver was, té ver was om invloed uit te oefenen op datgene wat we willen verklaren.

De verdwenen hermeneutische horizon

Althans, zo kon je het je voorstellen vóór de DNA-revolutie. Nu kan dat niet meer. Mensen waren mobiel, ideeën waren mobiel, en het onderscheid tussen dichtbij en ver is betekenisloos geworden. Om een lastig te begrijpen Romeins gedicht te verklaren, lijkt een Aramese of Koptische parallel voortaan even vruchtbaar als een Griekse. Wat geldt voor literatuur, geldt ook voor gebruiken, de materiële cultuur en instituties: er is geen hermeneutische horizon meer.

Te wijd geworpen netten

Aannemend dat ruimtelijke afstand en taal wegvallen als criteria om de context te bepalen waarbinnen een cultuuruiting zinvol te analyseren valt, komt de vraag op: is de DNA-revolutie geen excuus om alles met alles in verband te brengen? Hoe weten oudheidkundigen dat ze de netten niet té wijd werpen?

Koptische textiel, om eens iets te noemen, wil nog weleens motieven hebben die Keltisch ogen en het is best mogelijk dat Gallische wevers zich hebben gevestigd in Egypte, maar wanneer verandert aannemelijkheid in zekerheid? En omgekeerd: slechts een enkeling zal momenteel aannemen dat er boeddhistische invloed is op het Griekse filosofische stelsel dat bekendstaat als Skepsis, maar hoe weet je zoiets nu écht? Of, anders geformuleerd, wat is nodig om deze hypothese wél plausibel te maken?

Nieuwe criteria

Het antwoord is dat we dat niet weten. We hebben momenteel weinig meer dan intuïtie, connaisseurschap of Fingerspitzengefühl. Toch kunnen we vermoeden dat, als de ruimtelijke factor dan geen rol meer speelt, de factor tijd onverminderd relevant zal blijven. We zullen in het voorbeeld van de Koptische textiel aannemelijk moeten kunnen maken dat de Keltische patronen nog bestonden op het moment van de veronderstelde ontlening.

Een ander criterium is dat niet elke reisroute even plausibel is. Het is aannemelijker dat een cultuuruiting aan de Noordzeekust samenhangt met iets uit Portugal of Marokko dan met iets van de Balkan, aangezien transport over zee eenvoudiger is dan over land. Het is aannemelijk dat oudheidkundigen alle denkkracht zullen richten op het vaststellen van het belang van antieke reisroutes om zo te komen tot een beeld van welke ontleningen meer of minder plausibel zijn.

Eerlijk is eerlijk: beide criteria zijn wat bête. Maar dit is zeker: de DNA-revolutie ondergraaft momenteel de antropologische aannames van het oudheidkundig onderzoek. Oudheidkundigen zullen aan de bak moeten om strategieën te ontwerpen die zin en onzin scheiden.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Antieke migraties en migranten (2)

[Voor het eerste deel van deze reeks over antieke migratie: hier.] De migratie van namen Je kunt niet zeggen dat de Read more

Antieke migraties en migranten (1)

Migratie, dat mensen met een bepaalde identiteit elders gaan wonen bij mensen met een andere identiteit, is momenteel een belangrijk Read more

Een sprookjesstamboom

In 2016 publiceerden S.G. da Silva en J.J. Tehrani in Royal Society Open Science een elegant artikel met een weinig elegante titel Read more

Mooie migranten: verhalen

Het thema van de Week van de Klassieken is migratie en dat betekent dat we het ook eens moeten hebben over Read more