De Babylonische kwestie

29 december 2020

Ik verwoeste en vernietigde de stad en verbrandde haar met vuur; de gebouwen, van de grondvesten tot aan de bekroning. Ik verwijderde baksteen en aarde, zoveel als er was, uit de binnenmuur en uit de buitenmuur, uit de tempels en uit de ziggurat en wierp deze in de rivier de Arahtu. In het centrum van de stad groef ik kanalen en ik maakte de stad met de grond gelijk. Ik verwoestte de omtrek van haar fundamenten, waardoor de verwoesting die van de Zondvloed overtrof, opdat in de toekomst de locatie van de stad en haar tempels onvindbaar zou zijn. Ik loste (Babylon) op in water en vernietigde het; ik maakte het tot een weiland.

Met deze woorden beschrijft Assyrische koning Sanherib (r. 705-681 v. Chr.) de verwoesting van Babylon in 689 v. Chr. De felheid waarmee over deze gebeurtenis wordt geschreven is opmerkelijk. Het was voor een Assyrische koning niet ongebruikelijk om vijandige steden zo grondig te verwoesten, maar Babylon was al ruim 1000 jaar de heiligste stad van Mesopotamië. Het was de residentie van de oppergod Mardoek, die alles bepaalde wat er in de hemel en op aarde gebeurde en aan de mensen het koningschap had geschonken. Eeuwenlang hadden vreemde heersers de stad en haar inwoners gerespecteerd, maar Sanherib brak met deze traditie. Met trots berichtte hij over de ontheiliging van Babylon. Het was alsof hij zich niets (meer) aantrok van de bevoorrechte positie van deze stad. Hoe had het zover kunnen komen?

De bevoorrechte positie van Babylon ging terug tot de regering van Babylonische koning Hammurabi (r. 1792-1750), die voor het eerst sinds de val van de Derde Dynastie van Ur (2112-2004 v. Chr.) het land van Soemer en Akkad in één koninkrijk verenigde. De stad Babylon groeide onder zijn heerschappij uit van een middelgrote stadstaat tot de hoofdstad van de ‘oikoumene’. Om Babylon ook tot de religieuze hoofdstad van de ‘oikoumene’ te maken, stelde Hammurabi de god Mardoek, de beschermgod van Babylon, gelijk aan de Soemerische oppergod Enlil. Er werd ook een nieuwe ‘theologie’ ontwikkeld, waarin Mardoek de schepper van hemel en aarde was, die Babylon zou hebben uitgekozen als zijn residentie. Waar het koningschap zich in de Soemerische koningslijst nog van stad naar stad verplaatste, was nu Babylon de eeuwige zetel van het koningschap. Wie over de ‘oikoumene’ wilde heersen, moest ook de titel ‘koning van Babylon’ dragen.

In de eeuwen na de dood van Hammurabi heersten verschillende dynastieën over Babylon, die stuk voor stuk de bevoorrechte positie van de stad erkenden. Onder een Kassitische dynastie (1595-1155 v. Chr.), een dynastie afkomstig uit het huidige Iran, groeide Babylonië uit tot een territoriaal koninkrijk met een complex bestuursapparaat en onder de Tweede Dynastie van Isin (1155-1026 v. Chr.) beleefde Babylonië een nieuwe bloeiperiode. In de 11de eeuw v. Chr. kreeg Babylonië echter te maken met invallen van de Arameeërs en in de 9de eeuw v. Chr. vestigden de Chaldeeërs zich in Babylonië. De Arameeërs en de Chaldeeërs waren verdeeld onder verschillende stammen die onderling om de macht streden en het hele land meetrokken in hun burgeroorlogen. In de steden moest men weinig hebben van deze Arameeërs en Chaldeeërs en verlangde men terug naar een krachtige inheemse koning die de Soemerische en Akkadische tradities in ere zou herstellen.

Landkaart van Babylonië onder koning Nabonasir (r. 747-734 v. Chr.), met de namen van steden in het zwart en de namen van volken en landen in het rood. ‘Karduniash’ is de Kassitische naam voor het Babylonische kernland, ‘Kaldu’ is de Akkadische naam voor Chaldea, ‘Pays de la Mer’ is de Franse naam voor het moerasgebied waar de Chaldese opstandelingen hun toevlucht zochten, Elam was de belangrijkste bondgenoot van de Chaldese opstandelingen, de namen waar ‘Bit’ voor staat zijn Chaldese stammen.Near_East_topographic_map-blank.svg: Sémhurderivative work: Zunkir, CC BY-SA 4.0 https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0, via Wikimedia Commons

Deze wens ging in vervulling toen de inheemse koning Nabonasir (r. 747-734 v. Chr.) in Babylon de troon besteeg. Hij hielde de Aramese en Chaldese stammen onder de duim en voerde verschillende religieuze hervormingen door. Zo standaardiseerde hij de kalender en gaf hij zijn priesters de opdracht om kronieken bij te houden en dagelijks de stand van de sterren en de planeten, de hoogte van het waterpeil, de hoogte van de graanprijzen en vele andere zaken te noteren in de Astronomische Dagboeken. De Assyrische koning Tiglath-Pileser III (r. 745-727 v. Chr.), die toen net de vorsten in Syrië en het noordwesten van Iran had onderworpen, beschouwde Nabonasir als zijn gelijke en waagde het niet het koningschap van Babylon voor zichzelf op te eisen. In plaats daarvan sloot hij een bondgenootschap met hem en hielp hij hem zijn vijanden te verslaan.

Na de dood van Nabonasir brak in Babylonië een burgeroorlog uit. De zoon van Nabonasir werd al na twee jaar van de troon gestoten en een Chaldeeër genaamd Nabu-mukin-zeri eiste het koningschap van Babylon op. Alles leek weer terug bij af. Tiglath-Pileser III greep deze gelegenheid aan om zich op te werpen als de beschermeer van de inheemse bevolking in de steden. Hij viel Babylonië binnen en onderwierp de Chaldese stammen die Nabu-mukin-zeri steunden door hun steden en boomgaarden plat te branden. Toen hij alle vijanden eenmaal uit de weg had geruimd, riep Tiglath-Pileser III zich in 729 v. Chr. uit tot koning van Babylon. Hij bracht offers aan de Babylonische goden en nam deel aan de ceremonieën die hem legitimiteit moesten verschaffen. Hierdoor werden hij en zijn zoon Salmanassar V (r. 727-722 v. Chr.) door de inheemse bevolking in de steden erkend als rechtmatige koningen van Babylon.

In 722 v. Chr. werd Salmanassar V in een staatsgreep gedood en riep een generaal genaamd Sargon II (r. 722-705 v. Chr.) zich uit tot koning van Assyrië. De Babyloniërs weigerden deze usurpator als rechtmatige koning van Babylon te erkennen en stelden een Chaldeeër genaamd Merodach-Baladan II aan als hun koning. Hij lijkt brede steun te hebben genoten, ook onder de inheemse bevolking in de steden. Met de steun van het naburige koninkrijk Elam wist hij de Assyriërs twaalf jaar lang te weerstaan. In 710 v. Chr. slaagde Sargon II er eindelijk in Merodach-Baladan II op de vlucht te jagen en riep hij zichzelf uit tot koning van Babylon. Hij presenteerde zichzelf als een bevrijder die de inheemse bevolking in de steden had gered van de kwaadaardige Chaldeeërs, maar het is nog maar de vraag in hoeverre deze boodschap aansloeg.

In 705 v. Chr. sneuvelde Sargon II op het slagveld en zijn lijk werd niet teruggevonden. Dit leidde tot geruchten dat hij de gunst van de goden had verloren en was voor de Babyloniërs de reden om zijn zoon en opvolger Sanherib (r. 705-681 v. Chr.) niet als koning van Babylon te erkennen. In 703 v. Chr. keerde Merodach-Baladan II, die na zijn nederlaag tegen Sargon II in Elam asiel had aangevraagd, terug naar Babylon en werd hij door de inwoners met open armen ontvangen. Sanherib wist dat zijn geloofwaardigheid als leider van de ‘oikoumene’ ter discussie zou blijven staan zolang hij niet over Babylon heerste en besloot meteen in te grijpen. Hij slaagde erin de steden te heroveren, maar Merodach-Baladan II en zijn handlangers trokken zich terug in de moerassen van zuidelijk Babylonië of vluchtten naar Elam en bleven daarvandaan het verzet leiden.

Assyriërs achtervolgen vluchtende Chaldeeërs de moerassen in. Deze schets is gebaseerd op een reliëf en is te vinden in Layard, A.H. (1853): A Second Series of the Monuments of Nineveh. London.

Om de Babyloniërs een gevoel van autonomie te geven, stelde Sanherib in 700 v. Chr. zijn zoon Aššur-nadin-šumi aan als koning van Babylon. Toch bleef het onrustig in de moerassen van zuidelijk Babylonië en de koning van Elam bleef de opstandelingen steunen. Daarom leidde Sanherib in 694 v. Chr. een strafexpeditie tegen Elam. Maar terwijl Sanherib in Elam aan het plunderen was, viel de koning van Elam Babylonië binnen. De Babyloniërs leverden Sanherib’s zoon Aššur-nadin-šumi uit aan de koning van Elam, die een Chaldeeër aanstelde als koning van Babylon. Een onvoorstelbare nederlaag. In de jaren daarop leidde Sanherib verschillende militaire expedities naar Elam en Babylonië, maar zonder blijvend succes. Toen hij er in 689 v. Chr. eindelijk, na een belegering van anderhalf jaar, in slaagde om Babylon in te nemen, besloot hij de stad met de grond gelijk te maken (zie de tekst in het begin).

Op het eerste gezicht lijkt het erop dat Sanherib vanuit persoonlijke frustratie handelde, maar hier is meer aan de hand. Hij wist dat hij als koning van Babylon erkend moest worden om zijn geloofwaardigheid als leider van de ‘oikoumene’ te herwinnen, maar hij zag ook in dat hij hier nooit in zou slagen. Daarom besloot hij Babylon niet alleen te verwoesten, maar ook de bevoorrechtte positie van Babylon als heilige stad uit te wissen. Zo lijkt hij een versie van het scheppingsverhaal te hebben gepropageerd waarin niet Mardoek maar Aššur de schepper was en liet hij een verhaal op schrift stellen waarin Mardoek door de andere goden werd berecht. Sanherib slaagde er echter niet in zijn nieuwe ‘theologie’ erdoor te drukken. De verwoesting van Babylon was ook in Assyrië erg omstreden en was waarschijnlijk de reden dat Sanherib in 681 v. Chr. door zijn eigen zoons werd gedood.

Sanherib werd opgevolgd door zijn zoon Esarhaddon (r. 681-669 v. Chr.), die ervan overtuigd was dat Mardoek zich op zijn vader had gewroken en zich haastte om de zonde van zijn vader recht te zetten. Hij herbouwde Babylon, liet de ballingen terugkeren en kende de stad en haar inwoners opnieuw allerlei voorrechten toe. Hij beweerde dat de verwoesting van Babylon een straf van de goden was geweest, maar dat de goden nu hém hadden uitgekozen om de verzoening teweeg te brengen. Door zijn verzoeningspolitiek slaagde Esarhaddon er uiteindelijk in om als koning van Babylon te worden erkend. Tegen het eind van zijn leven besloot hij dat Babylonië een onafhankelijk koninkrijk moest worden onder leiding van zijn eerste zoon Šamaš-šuma-ukin. Zijn tweede zoon Assurbanipal zou over Assyrië regeren en zijn gelijkwaardige bondgenoot zijn. Het leek een veelbelovende oplossing, maar het zou allemaal heel anders uitpakken.

Meer over de oorsprong van het Assyrische beleid ten opzichte van Babylon lees je in mijn boek Het Wereldrijk van het Tweestromenland, dat vanaf 26 januari 2021 in de winkels ligt maar nu al hier te bestellen is.

[Dit bericht verscheen oorspronkelijk op de eigen blog van Daan Nijssen.]

Deel dit blog:
De tien invloedrijkste antieke teksten

Justinianus kondigt de codificatie van het Romeins Recht aan. Miniatuur uit de Mainzer editie van 1477, waarvan een exemplaar (vastgebonden Read more

Nabonidus en Cyrus

Reliëf van Nabonidus uit Harran (Archeologisch museum van Sanli Urfa) “De laatste Babylonische koning,” zo lezen we in het handboek Read more

De slag bij Kounaxa (4)

Xenofon (Museum van Afrodisias) [Het is kerstmis en in het verleden gaf ik weleens een longread met krijgsgeschiedenis. Eerder bood Read more

De slag bij Kounaxa (3)

Perzische soldaat in uitgaanstenu (Louvre, Parijs) [Het is kerstmis en in het verleden gaf ik weleens een longread met krijgsgeschiedenis. Read more


Categoriën: Assyrië, Babylonië
Tags: