Cultuurhistorische archeologie

Een deel van Childe’s “spreadsheet” van antieke culturen. Anders dan je van een archeoloog zou verwachten, is het jongste onder en het oudste boven.
12 november 2020

Ik blogde vorige week over Gordon Childe (één, twee), de man die de hoofdlijnen vaststelde van ons beeld van het verre verleden. Ik vertelde dat hij, zoals zijn voorganger Montelius, een soort spreadsheet maakte waarin alle archeologische culturen van Europa waren opgenomen: tijd langs de y-as, regio’s langs de x-as. Zie boven. Door het verleden zo te conceptualiseren, had hij kunnen vaststellen dat de oude theorieën, dat alle beschaving in het oosten was ontstaan en geleidelijk naar het westen was gekomen, niet konden kloppen.

Ik wees erop dat Childe er verder naar streefde de samenleving te reconstrueren waarvan de materiële cultuur een neerslag was. Daarbij kwamen economische, sociale, politieke, etnische en religieuze aspecten aan bod. Bij de beschrijving van die samenlevingen benutte hij inzichten uit de Sovjet-archeologie en het functionalisme.

Deze “cultuurhistorische” benadering is in feite een soort negentiende-eeuwse, nationalistische geschiedenis met andere middelen: de traditionele nationale staten verlengden hun geschiedenis naar de Prehistorie, waarbij archeologische culturen de plaats innamen van staten, diffusie van culturele verworvenheden in de plaats kwam van “grote mannen” en migraties de plaats innamen van veroveringsoorlogen. De Germanenverering na de Duitse eenwording in 1870 is een voorbeeld.

Het idee van een nationale staat, met haar nationale verleden en haar cultuurhistorische Prehistorie, bleek zo succesvol dat het ook werd overgenomen door pas-onafhankelijke staten die meer dan één volk binnen de grenzen hadden, zoals op de Balkan en in het Midden-Oosten. De wonderlijke paradox was daarbij dat al die jonge staten voor één van de volken binnen hun grenzen een grote ouderdom claimden, zodat zulke staten én jeugdig vitaal én respectabel oud waren. Cultuurhistorisch archeologen hielpen hun vaderland dan door een band te benadrukken tussen enerzijds het volk dat in de nieuwe staat dominant was en anderzijds een volk uit een ver verleden, dat vervolgens archeologisch in het zonnetje werd gezet. Zo liet de Reza Shah, de koning van Iran van 1925 tot 1941, benadrukken dat er vóór de komst van de islam een magnifieke, zuiver Perzische cultuur in Iran had bestaan, die hij wilde doen herleven in een seculiere, nationale staat, ontdaan van Arabische invloeden (zoals de islam).

Deze kijk op het verleden hoeft niet per se slechte wetenschap op te leveren. Ook is het feit dat een bepaalde continuïteit tussen toen en nu op het overdrevene af wordt benadrukt, nog geen aanwijzing dat zo’n continuïteit niet werkelijk is. Een voorbeeld is Israël, dat de archeologie vaak misbruikt om de aanspraken van het Joodse volk op het land te onderstrepen. Ik schrijf “misbruikt” omdat archeologie daar niet toe dient, maar dat wil niet zeggen dat de Joden er niet altijd hebben gewoond. Bezoek Safed voor een kijk op het voor-zionistische Jodendom. De Israëlische archeologie, wil ik maar zeggen, bewijst een claim op het land die geen weldenkend mens ter discussie stelt.

Een sleutelfiguur in de Israëlische archeologie met haar zionistische agenda, is Yigael Yadin (1917-1984), die wereldberoemd werd door zijn opgraving van Masada, maar in eigen land al bekend was als chef-staf van het Israëlische leger tijdens de oorlog van 1948. Archeologen als hij groeven het verleden op van het Joodse volk, probeerden aan de hand van voorwerpen uitspraken te doen over economie, etniciteit, sociale en politieke verhoudingen en religie, en wel met het uitdrukkelijke doel te bewijzen dat de symbolen die door de eeuwen belangrijk waren voor de Joden – het monotheïsme, de Bijbel, de tempelcultus in Jeruzalem – werkelijk eeuwenoud waren. Met andere woorden, de archeologie werd ondergeschikt gemaakt aan enerzijds de geschiedschrijving en anderzijds de politiek.

Wanneer een moderne staat het verleden benut om zich te legitimeren, om de nationale identiteit te versterken of om gebieden te claimen, is er een reële kans dat oneigenlijke argumenten de wetenschappelijke discussie binnensluipen. Welke naties tegenwoordig bestaan, is voor het verleden volkomen irrelevant. Een wetenschapper hoort zich daar niet voor te lenen. De geesteswetenschappen moeten en kunnen meer doen dan het aanleveren van bouwstenen voor een nationaal zelfbeeld.

Gelukkig gebeurt zoiets in Nederland natuurlijk nóóit.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Hunebed van de dag: D6 (Tynaarlo)

Het op vijf na noordelijkste hunebed in Nederland, hunebed D6, was het eerste dat ik zag. Althans als volwassene. Ik Read more

De Warka-vaas

Ik blogde al over de grote stad Uruk, tegenwoordig Warka, waar de overgang van Neolithicum naar geschiedenis is gedocumenteerd in Read more

Hunebed van de dag: D1 (Steenbergen)

Hunebed D1, het op vier na noordelijkste hunebed in Nederland, bleek in gebruik als klimrek voor kinderen. Althans toen wij Read more

De Dame van Simpelveld

De sarcofaag van de Dame van Simpelveld is een van de mooiste vondsten uit de Nederlandse archeologie. Gemaakt in de Read more