Communistische archeologie (1)

12 november 2020

Het communisme is er, net als het liberalisme en het socialisme, van overtuigd dat de mens van nature goed en creatief is, en dat vooruitgang mogelijk is als mensen deze eigenschappen kunnen ontplooien. Hoewel liberalen daarbij geloven dat de dynamiek zit bij het individu, terwijl de marxistische traditie de motor van de vooruitgang zoekt in de spanningen tussen de diverse klassen, delen deze stromingen een optimistisch mensbeeld.

De grote triomf van de negentiende-eeuwse archeologie was dat ze bewees dat die vooruitgang ook werkelijk heeft bestaan. Anders geformuleerd: de menselijke geest kreeg steeds meer vat op de natuur. Dat vinden wij vanzelfsprekend, maar daar is weleens anders over gedacht: aan het begin van de negentiende eeuw verklaarde men de verschillen tussen de diverse culturen nog met de aanname dat niet alle mensen na het vertrek uit de Hof van Eden even ver waren gedegenereerd. De Patagoniërs waren bijvoorbeeld zo primitief omdat ze zo ver weg waren getrokken. De negentiende-eeuwse archeologen hebben dit op de Bijbel teruggaande beeld echter weerlegd en ik heb er al eens op gewezen dat dit een Halbe Zijlstra, die als staatssecretaris van cultuur niet wist wat hij moest met “musea vol opgegraven potten en pannen”, toch zou hebben moeten interesseren: empirisch bewijs voor een belangrijke liberale aanname.

In de twintigste eeuw kwam de discussie over de “motor” achter de vooruitgang op gang en dat gebeurde niet toevallig in de Sovjet-Unie. En niet alleen omdat dat een communistisch land was. In de voorgaande eeuw had Rusland een grote aristocratie gehad die enkele rechten had die westerse aristocraten niet bezaten, zoals het eigendom van alles wat op hun landerijen werd gevonden. Menig grootgrondbezitter was geïnteresseerd in archeologie, want als hij in bijvoorbeeld een grafheuvel op zijn land wat gouden voorwerpen vond, mocht hij ze houden. De aristocratische oudhedencollecties waren daardoor vrij groot. Voor zover de grootgrondbezitters hun verzamelingen niet zelf nalieten aan het Hermitage-museum, eindigden ze daar wel na de Russische Revolutie.

Een gevolg was dat de Sovjet-archeologen beschikten over een enorme schatkamer vol Skythische voorwerpen die niet zomaar viel te interpreteren door er een Griekse of Romeinse tekst op los te laten. Veel meer dan uitgebreide beschrijvingen van de vondsten en vondsttypen konden de oudheidkundigen niet geven, maar zo wisten ze wel te komen tot een op de materiële cultuur gebaseerde oude geschiedenis. In feite vulden de Russische archeologen Oscar Montelius aan, over wie ik al eens eerder blogde: de vader van de Europese prehistorie. Daar kwam nu dus een Centraal-Aziatische prehistorie bij.

En laat nu net de prehistorie in het oeuvre van Karl Marx vrijwel onontgonnen terrein zijn. Hij had wat vage noties over een Aziatische productiewijze die ooit lang geleden in het Midden-Oosten zou hebben bestaan, maar had die nauwelijks uitgewerkt. Zijn belangstelling gold immers vooral de overgang van de feodale naar de kapitalistische wereld. Wel had zijn vriend en naaste medewerker Friedrich Engels gekeken naar de studies van de antropoloog Lewis Morgan, maar heel solide waren die niet. De communistische archeologen zagen dus een mooi veld voor zich waar ze een bijdrage konden leveren aan het dialectisch materialisme: de reconstructie van de vroegste productiewijzen.

Dit was des te aantrekkelijker omdat het aansloot bij een slimme hint die Marx in Das Kapital had gegeven: oude voorwerpen waren niet alleen artistiek te interpreteren, maar waren ook te beschouwen als uiting van de productiekrachten in de samenleving die ze had voorgebracht. Dit spreekt nu natuurlijk vanzelf, maar was ooit een nieuw denkbeeld. Het is de tragiek van klassiek geworden gedachten dat niemand zich later herinnert hoe revolutionair ze ooit zijn geweest. (Nu ik dit schrijf vraag ik me af of Marx, die Das Kapital schreef in de bibliotheek van het British Museum, misschien op het genoemde idee kwam doordat de antieke voorwerpen daar destijds vooral werden gepresenteerd in een kunsthistorische context, zonder veel verdere duiding.)

Zo lagen de kaarten dus toen Vladislav Ravdonikas in 1929 een lezing hield waarin hij de archeologie hekelde als een bourgeois-wetenschap: in “Voor een Sovjet-geschiedenis van de materiële cultuur” eiste hij een communistische oudheidkunde. Dat klinkt als academische newspeak, maar dit was meer dan hol gepraat.

[Wordt vervolgd]

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Communistische archeologie (3)

Ik blogde eergisteren over de communistische archeologie, waarvan ik vertelde dat die een verklaring zocht voor de “spreadsheet” van regio’s en archeologische Read more

Communistische archeologie (2)

Ik blogde eerder over de communistische archeologie, waarvan ik vertelde dat die overeenkomsten had met de wijze waarop liberalen keken naar het vak. Read more

Hunebed van de dag: D1 (Steenbergen)

Hunebed D1, het op vier na noordelijkste hunebed in Nederland, bleek in gebruik als klimrek voor kinderen. Althans toen wij Read more

De Dame van Simpelveld

De sarcofaag van de Dame van Simpelveld is een van de mooiste vondsten uit de Nederlandse archeologie. Gemaakt in de Read more