Parthische drinkhoorn uit Nysa (Metropolitan museum, New York)

Foto van de dag: Parthische rhyton

14 april 2021

Parthische drinkhoorn uit Nysa (Metropolitan museum, New York)

[Meer foto’s hier.]

Deel:
Categoriën: Foto, Groot-Iran, Musea

Grieken in het Verre Oosten

13 april 2021

Momenteel is de Week van de Klassieken, die is gewijd aan de Inclusieve Oudheid. Eén van de aspecten van dat thema is dat er (eindelijk) aandacht is voor regio’s die niet Griekenland en Italië heten. Vergeet niet op de website op de agenda-pagina rechtsboven te zoeken naar wat er de afgelopen dagen al was, want daar zaten interessante dingen bij, zoals lezingen van Miko Flohr en Marike van Aerde.

Ik wil het niet ongemerkt voorbij laten gaan en haak erop in met de keuze van het boek dat ik als eerste wil behandelen in een reeks filmpjes die ik al tijden in gedachten heb: “Zit een oudheidkundig met de rug naar een boekenkast”. Het boek dat ik als eerste uit die kast haal en aan u voorstel, is van Rachel Mairs; u bestelt het hier en ik schreef er daar al eens over.

Deel:
De Palmyreense triade: Aglibol , Ba'alshamin en Malakbel. Syrische, Arabische, Griekse, Oosterse en Romeinse elementen bij elkaar.

Even voorstellen: Ex Oriente Lux

4 december 2020

‘Uit het oosten komt het licht’. Niemand weet precies van wie deze spreuk is. Het heeft natuurlijk te maken met het feit dat de zon in het oosten opgaat, maar ook met de idee dat veel grondslagen van de westerse en islamitische culturen uit het (midden) oosten komen.

In Nederland bestaat sinds 1933 een vereniging, Het Vooraziatisch-Egyptisch Genootschap ‘Ex Oriente Lux’, die zich ten doel stelt kennis van die grondslagen bij een breder publiek bekend te maken. Het gebied waarover we het hebben is wat sommigen het ‘Oude Nabije Oosten’ noemen, d.w.z. Egypte, Mesopotamië (Irak), het Hethitische rijk in Klein-Azië (Turkije), Syrië en Israël in de periode van ca. 3500 v. Chr. tot 700 n. Chr.

Deel:
Een laatantieke ruiter keert terug (Nagyszentmiklós-schat, Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Antieke migraties en migranten (1)

15 november 2020

Migratie, dat mensen met een bepaalde identiteit elders gaan wonen bij mensen met een andere identiteit, is momenteel een belangrijk oudheidkundig thema. Eerlijk is eerlijk: dat is soms gemakzuchtig inhaken op de actualiteit. Migratie heeft immers problematische kanten die momenteel de aandacht trekken en er zijn oudheidkundigen die het belang van hun vak denken te kunnen tonen door erop te wijzen dat je ook in de Oudheid migratie had. Dan toon je je eigen irrelevantie want je loopt aan achter wat anderen belangrijk vinden in plaats van je eigen kwaliteiten te tonen. Het is zoiets als tijdens een pandemie beweren dat je ook in de Oudheid epidemieën had. Gelukkig is er ook een minder zelfdestructieve reden om je met migratie bezig te houden: de DNA-revolutie.

Door het onderzoek naar antiek DNA en het isotopenonderzoek wordt duidelijk dat de mensen vroeger buitengewoon mobiel waren, minimaal in sommige regio’s en tijdperken, wat betekent dat ideeën veel breder konden circuleren dan wel aangenomen is geweest. Wie een Latijnse tekst interpreteert, kan niet langer om Aramese parallellen heen, om het samen te vatten. Ons vak staat op de grondvesten te trillen en om die reden was “Van heinde en verre” in 2019 het thema van de Week van de Klassieken.

Deel:
Bijlen uit de Pontische vlakte, ongeveer 3000 v.Chr. (Archeologisch Museum van Burgas)

Een sprookjesstamboom

15 november 2020

In 2016 publiceerden S.G. da Silva en J.J. Tehrani in Royal Society Open Science een elegant artikel met een weinig elegante titel (“Comparative phylogenetic analyses uncover the ancient roots of Indo-European folktales”), waarin ze betoogden dat ze van een aantal sprookjes de verspreiding konden verklaren. Eén voorbeeld is het verhaal van Sjaak en de grote bonenstaak (AT 328A), dat is overgeleverd in zowel Engeland als de Balkanlanden. Ver uit elkaar dus, en zonder de mogelijkheid dat het ene gebied het had overgenomen van het andere.

Omdat sprookjes worden doorverteld in een taal, zo redeneerden de auteurs, en omdat we de Indo-Europese taalstamboom redelijk kennen, was aannemelijk dat het verhaal in de Germaanse tak (de Engelse versie) en in de Slavische tak (de Balkanversie) was terechtgekomen doordat ze een gemeenschappelijke voorouder hadden, vóór deze twee takken gescheiden waren geraakt. Dat zou dan ergens in het late vierde millennium v.Chr. kunnen zijn geweest, toen deze twee taalgroepen nog naast elkaar lijken te hebben geleefd in Moldavië en het westen van Oekraïne.

Deel:
Hattusa, De Daden van Šuppililiuma

Archeologie en de Indo-Europese talen

12 november 2020

In 1987 publiceerde de Britse archeoloog Colin Renfrew, de grondlegger van de cognitieve archeologie, het bovenstaande boek over de verspreiding van de Indo-Europese talen. Ik herinner het me nog goed; mijn docent Marten Stol, die ons tijdens een college eigenlijk iets spijkerschrifterigs had moeten vertellen, weidde breed uit waarom dit allemaal niet kon kloppen.

Taalverspreiding en archeologie

Het was dan ook niet gering wat Renfrew claimde. Eén: taalverspreiding is archeologisch te herkennen. Weliswaar kun je geluid niet opgraven, maar de mechanismen die leiden tot intensieve taalverandering, zijn zelf ook intensief. Ze laten sporen na in het bodemarchief. Als bijvoorbeeld een gemeenschap een nieuwe elite krijgt die een andere taal spreekt, moet je dat aan materiële artefacten herkennen. De Latijnsprekende elite die zich aan het begin van de jaartelling vestigde aan de Rijn, is herkenbaar aan militaire nederzettingen, steden en een hele batterij andere zaken.

Deel: