Was Mohammed een massamoordenaar?

8 september 2021

Wie niks van hem moet hebben, wil nog wel eens beweren dat de profeet Mohammed een pedofiel, een krijgsheer en een massamoordenaar was. Over alle drie deze epitheta ornantes valt wel wat te zeggen. Of hij pedofiel was weten we niet en kunnen we ook niet weten. Een krijgsheer? Dat valt op meerdere vlakken nogal tegen.  Maar hoe zit het met massamoordenaar?

Van 622 tot 632 is Mohammed bestuurder van een gemeenschap in Yatrib, later Medina geheten. Daar was hij in 622 aangekomen met zijn volgelingen uit Mekka. De eerste helft van die periode als bestuurder – tot 627 – bestaat volgens de oudste biografie van de profeet uit een aantal fasen die elk eindigen met een veldslag tegen de heidense Mekkanen, gevolgd door een intern conflict met de Joden in Yatrib.

Deel:
Categoriën: Islam

Was Mohammed een krijgsheer?

27 juli 2021

U hoeft tegenwoordig niet lang te zoeken om mensen te vinden die menen dat de profeet Mohammed een ‘krijgsheer’ was. Het begon niet met een paar zetels in de Tweede Kamer, maar daar vindt u ze inmiddels ook. Waar komt dat verhaal vandaan en wat klopt ervan?

Wie een biografie van de profeet openslaat, komt op enig moment veldslagen en razzia’s tegen (een woord trouwens dat eigenlijk niet past door zijn in moderne tijd verkregen associaties, net als ‘krijgsheer’ trouwens). Komen die razzia’s niet in uw exemplaar voor, dan heeft u per ongeluk een hagiografie op de kop getikt.

Deel:
Categoriën: Islam
Drie Romeinse ringen uit Dab'aal bij Tyrus (Nationaal Museum, Beiroet)

Ringcompositie

16 november 2020

Een “ringcompositie” is een manier om een tekst te ordenen, waarbij de gedachtegang niet serieel wordt geordend (zoals in A-B-C-D-E) maar in ringen rondom een middendeel: A-B-C-D-C-B-A. De ringcompositie is als analysegereedschap onder geesteswetenschappers al vanaf de achttiende eeuw bekend, toen Robert Lowth in 1754 de beginselen beschreef in een boek over Hebreeuwse poëzie. Na Lowth zijn er geleerden geweest die de theorie van de ringcompositie hebben uitgebreid, vooral in discussie met de veel populairdere theorieën over de documentenhypothese: het idee dat de Bijbel uit verschillende documenten is samengesteld en dat dit is te herkennen aan eigenaardigheden in de tekst, zoals onnodige herhalingen, onbegrijpelijke sprongen, weglatingen en gebruik van terminologie. Als een “samengesteld” stuk tekst blijkt een doordachte (ring)compositie te hebben, komt die samenstelling op losse schroeven te staan, vandaar de belangstelling voor ringcomposities.

Deze discussie geldt inmiddels als achterhaald, omdat tegenwoordig vrijwel iedereen aanneemt dat de Bijbel is begonnen als een verzameling documenten die op enig moment, of op meerdere momenten, is geredigeerd tot de huidige tekst. De redactiecommissies zijn daarbij echter niet over één nacht ijs gegaan en hebben ervoor gezorgd dat het resultaat wel degelijk een net gecomponeerde tekst was, ringcomposities incluis.

Deel:
Het valse "Evangelie van de Vrouw van Jezus" (Harvard)

Koolstofdatering: Pseudoscepsis

12 november 2020

Nu we de wetenschappelijke zelfkritiek hebben gehad, komen we als vanzelf bij de pseudosceptici, waaronder er zijn die de koolstofmethode niet zien zitten. Ik heb al enkele valkuilen vermeld: nog levende schelpen die duizend jaar oud dateren en andere afwijkingen van de oorspronkelijke aannames die aan de koolstofdatering ten grondslag lagen. Wie twijfel wil zaaien aan oudheidkundige dateringen, kan zulke voorbeelden op indrukwekkende wijze presenteren.

Dat kan met cijfers, want de afwijkingen als gevolg van bijvoorbeeld het mariene reservoireffect bedragen honderden jaren. Ook taalkundige massage is dienstig. Er zijn reële problemen, stuk voor stuk oplosbaar, maar je kunt natuurlijk zeggen dat het “wemelt van de problemen”, dat er “schokkende verschillen” zijn, dat “ongerijmdheden de methode plagen”, dat de verschillen “niet onbetekenend” zijn en dat er sprake is van “onkwantificeerbare variabelen”.

Deel:
De mummie van een krokodil (Egyptisch Museum, Barcelona)

Koolstofdatering: Kritiek

12 november 2020

De koolstofmethode wordt vaak gepresenteerd als keiharde, betrouwbare en succesvolle methode. En terecht. Zo raakt echter wat uit het zicht dat ook zo’n keiharde en betrouwbare methode onoordeelkundig en dus onsuccesvol valt toe te passen. Hoe keihard en hoe betrouwbaar ook: dateren blijft een kunst.

Je moet heel goed weten wat je dateert en welke vraag je eigenlijk wilt beantwoorden. De meest voor de hand liggende vraag is natuurlijk: hoe oud is het? Maar daar is de koolstofmethode niet in alle gevallen geschikt voor. De vraag “stamt dit voorwerp uit het begin van de zevende eeuw?” vergt een nauwkeurigheid van een jaar of vijftig. Maar rond het begin van de zevende eeuw loopt de kalibratiecurve behoorlijk vlak. Een koolstofdatering kan dan heel goed uitvallen als 585 – 710 cal AD en daar heb je niks aan. Maar aan diezelfde datering heb je wél wat als je wilt weten of je voorwerp een moderne vervalsing is.

Deel:

Koolstofdatering: Reiniging

12 november 2020

Vervuiling wordt ook opgespoord met de microscoop, een standaardprocedure. Bij de lijkwade van Turijn is bijvoorbeeld gekeken naar de hoeveelheid roet in het doek. In 1532 is het doek namelijk het slachtoffer geweest van een brand. Niet alleen brandden gesmolten druppels zilver gaten in het textiel, mogelijk was er ook roet in het doek neergeslagen. Wellicht zou de koolstof uit dat roet de datering kunnen beïnvloeden. Misschien wel met een eeuw, misschien zelfs twee. Alle te onderzoeken vezels zijn dus onder de microscoop doorgegaan, waarbij bleek dat er nauwelijks roet aanwezig was.

Deel:
De Tollundman: voorbeeld van een veenlijk

Koolstofdatering: Contaminatie

12 november 2020

Het moge inmiddels duidelijk zijn dat een koolstofdatering niet eenvoudigweg een meting is, gevolgd door een handvol rekenkundige correcties, maar ook inzicht vergt in allerlei omstandigheden. Dit geldt ook voor het bepalen van aanrijking of verarming nadat het organisme is overleden. In theorie kan er dan alleen nog koolstof-14 verdwijnen door radioactief verval, maar in de praktijk kan een voorwerp nog vervuild raken met koolstof-14 van buitenaf en dat heeft natuurlijk effect op het resultaat.

Berucht zijn koolstofbronnen die zo oud zijn dat ze geen koolstof-14 meer bevatten. Ik noemde hierboven al de effecten van fossiel kalksteen, maar ook geteerd scheepshout en met parafine geconserveerde museumvoorwerpen zijn niet zomaar te dateren. Teer en parafine zijn immers gemaakt van aardolie: miljoenen jaren oud organisch materiaal dat geen koolstof-14 meer bevat, waardoor de ouderdom van een monster te hoog wordt ingeschat.

Deel:

Koolstofdatering: Reservoireffecten

12 november 2020

Zoals gezegd zorgt het iets grotere gewicht van het koolstof-14-atoom voor licht afwijkend gedrag van dat atoom, waardoor een datering te oud of te jong kan uitvallen. We hebben gezien dat hiervoor valt te corrigeren. Daarmee zijn echter nog niet alle processen ondervangen die ervoor zorgen dat een organisch voorwerp aangerijkt of verarmd raakt met koolstof-14. Eén van die processen is het reservoireffect: de omgeving kan functioneren als een plaatselijk reservoir van extra koolstof-14, of juist een tekort daaraan, wat leidt tot verkeerde dateringen.

Neem hard water met veel kalk. Kalksteen is eigenlijk een organisch materiaal(skeletresten van micro-organismen) en kan miljoenen jaren oud zijn, waardoor het vrij is van koolstof-14. Dat is allemaal allang radioactief vervallen. Wanneer de kalk oplost in water of wordt meegenomen door een rivier, kan een gebied ontstaan waarin alle levende wezens minder koolstof-14 bevatten dan normaal. Er is dus sprake van verarming. Dateringen vallen te oud uit.

Deel:

Koolstofdatering: Isotoopfractionering

12 november 2020

We hebben in de eerste stukjes gemakshalve aangenomen dat de hoeveelheid koolstof-14 in de atmosfeer correspondeert met die in levende wezens, de biosfeer. In de wat ingewikkelder werkelijkheid blijkt dit niet helemaal te kloppen.

Een atoom koolstof-14 heeft twee kerndeeltjes meer dan een normaal koolstof-12-atoom en dat wil zeggen dat het 16% zwaarder is. Dat heeft om te beginnen gevolgen voor het fysische gedrag van het koolstof-14-atoom: koolzuurgas met de zwaardere isotoop verdampt iets minder makkelijk uit water dan koolzuurgas met koolstof-12. Omgekeerd slaat een verbinding met koolstof-14 net even iets sneller neer dan één met de lichtere vorm. Zo ontstaan verschillen tussen het gehalte koolstof-14 in zee en in de atmosfeer.

Deel: