Aristoteles 5: Deductie en inductie

Aristoteles (Archeologisch Museum Palermo)
12 april 2021

[Aristoteles staat bekend als de wetenschapper-filosoof. De invloed van zijn filosofie in de oudheid is enorm, op de eigen peripathetische school, en het neoplatonisme, maar ook op de Arabische filosofie, via deze route weer op de filosofie van de late middeleeuwen in Europa, en legde hij een grondslag voor de empirische wetenschapsmethode, classificatie en logica. Daarbij weten we tegenwoordig ook veel over andere filosofen dankzij Aristoteles. In deze vijftiendelige serie bekijken we hem in detail. Het eerste deel is hier.]

Enkele slimmerds zullen kritiek hebben op het eerste voorbeeld dat we gaven, waarin we Socrates’ sterfelijkheid wilden bewijzen. Ze zullen zeggen: wat als Socrates nu onverhoopt tot in de eeuwigheid was blijven leven? Hadden we dan moeten concluderen dat Socrates geen mens is? Of is dan de aanname dat alle mensen sterfelijk zijn gewoon niet waar?

Aristoteles gaf toe dat niet alle kennis zomaar gegeven is. Omdat we nooit alle mensen kunnen onderzoeken, er worden immers dagelijks nieuwe geboren, kunnen we nooit honderd procent zeker zijn of alle mensen sterfelijk zijn. Zolang we echter nog nooit gehoord hebben van iemand die minstens een aantal decennia ouder dan honderd is geworden en nog leeft, kunnen we ervan uitgaan dat die uitspraak klopt.

Deze redenering verloopt dus niet van algemene kennis naar specifieke uitspraken, maar van specifieke kennis naar algemene uitspraken. Dit proces van veralgemeniseren noemen we inductie.

Conclusies trekken omdat het één noodzakelijk volgt uit het ander, zoals we boven deden met de sterfelijkheid van Socrates, noemen we deductie. We gaan dan van algemeen naar specifiek. Deductieve redeneringen bieden veel zekerheid.

Met inductieve redeneringen proberen we algemene zekerheden af te leiden uit specifieke waarnemingen. Daardoor zijn deze per definitie minder betrouwbaar, want we kunnen in theorie natuurlijk ‘op een dag’ een geval tegenkomen dat het tegendeel bewijst. Maar we kunnen niet zonder inductie.

Volgens Aristoteles maken we over het algemeen geen fouten bij het waarnemen, maar ontstaan fouten pas in het denken. Anders dan zijn leermeester Plato stelt Aristoteles dat de zintuigen wel degelijk te vertrouwen zijn bij het vergaren van kennis. Zolang we tijdens dat waarnemen maar goed blijven categoriseren en erop blijven letten dat we volgens de logische formules denken.

We zien daarmee het grote verschil tussen Plato en Aristoteles. Plato is een rationalist, die de waarneming wantrouwt. Aristoteles een empirist, die het denken wantrouwt. Voor beide standpunten valt natuurlijk wel wat te zeggen.

[Morgen meer. Deze serie bevat een aantal hoofdstukken van het boek De wereld vóór God, waarin de filosofische stromingen van de oudheid, van China tot Rome, voor de leek zeer laagdrempelig maar toch vrij uitgebreid wordt uitgelegd. Het hele boek is hier te bestellen.]

Deel dit blog:
Aristoteles 3: Oordelen

[Aristoteles staat bekend als de wetenschapper-filosoof. De invloed van zijn filosofie in de oudheid is enorm, op de eigen peripathetische Read more

Plato 13: Dualisme

[Een korte serie over Plato: Plato wordt als filosoof vooral gekend om zijn leer van de 'vormen', de naar hem Read more

Plato 12: de liefde van Alcibiades

[Een korte serie over Plato: Plato wordt als filosoof vooral gekend om zijn leer van de 'vormen', de naar hem Read more

Plato 11: de liefde van Socrates

[Een korte serie over Plato: Plato wordt als filosoof vooral gekend om zijn leer van de 'vormen', de naar hem Read more


Categoriën: Griekenland