Aristainetos

Een Byzantijnse muzikant (Qasr Libya)
16 december 2020

Wellicht verscheen ze in de zesde eeuw n.Chr., misschien heette de auteur Aristainetos en vrijwel zeker heette de collectie niet Liefdesbrieven. Het enige dat we weten is dat er een laatantieke verzameling fictieve correspondentie bestaat, vervaardigd door een Griekstalige auteur die zich liet inspireren door eerdere auteurs van minnebrieven, door Plato en door de toneelstukken van de Nieuwe Komedie.

Een deel van het literaire plezier zit in het intellectuele spel van verwijzingen en knipogen, maar ook voor wie niet alle dubbele bodems herkent, is er plezier te beleven aan de levendige presentatie. De volgende tekst zal niet helemaal zijn wat een muzikant meemaakte in Constantinopel, maar toont dat de erotische fantasieën in moderne mannenbladen (die u natuurlijk nooit leest) van alle tijden zijn. De vertaling van Brief 1.2 is gemaakt door Hein van Dolen en kan hier worden besteld.

Gisteravond zong ik in een straatje een lied, toen twee meisjes aan kwamen lopen. Aan hun blikken en glimlach was te zien dat ze in een verliefde stemming waren. Ze waren als de drie Gratiën, maar dan eentje minder. Kinderlijk als ze waren bestookten zij mij met vragen, ze boden openlijk tegen elkaar op en er was geen greintje onoprechtheid te bespeuren. “Wij zijn onder de bekoring van je mooie gezang gekomen, alsof Eros ons met zijn scherpe pijlen heeft getroffen. Jouw muziek is zo welluidend dat jij onze oren en hart hebt geraakt. Zeg eens, voor wie zing je eigenlijk? Zij en ik beweren allebei de uitverkorene te zijn. We beginnen zelfs jaloers op elkaar te worden. Dit wordt vechten om jou en leidt ertoe dat we elkaar vaak in de haren zullen vliegen.”

“Jullie zijn allebei even mooi”, zei ik, “maar ik val op geen van de twee. Jullie moeten geen ruzie maken en niet meer kiften. Ga naar huis. Ik houd van een ander en ben op weg naar haar.”

“Er woont hier geen aantrekkelijk kind in de buurt.” zeiden zij, “En jij zegt dat je van haar houdt? Je staat glashard te liegen. Zweer dat je met geen van ons tweeën wilt omgaan.”

Hierom moest ik hard lachen: “Als ik dat weiger, ga je me dan dwingen om een eed te doen?”

Daarop antwoordden zij: “Het heeft ons moeite genoeg gekost om de gelegenheid te baat te nemen en naar buiten te gaan. En nu sta jij ons een beetje in de maling te nemen. Nee, we laten jou niet zomaar gaan. Wij waren vol goede hoop en jij zult die niet de bodem inslaan.”

En ze begonnen al pratend aan me te trekken, ik werd niet onprettig aangerand.

Tot zover is mijn verhaal netjes en voor ieders oren bestemd. Maar wat daarna gebeurde, is in een paar woorden samen te vatten: ik heb geen van de twee teleurgesteld en in de gauwigheid een geschikte slaapplaats gevonden.

Deel dit blog:
Ausonius in Trier

Een jaar of vier geleden mocht ik op deze blog een gedichtje van Leo van Zanen publiceren over de Togatus Read more

Ausonius aan de Moezel

Een jaar of vier geleden mocht ik op deze blog een gedichtje van Leo van Zanen publiceren over de Togatus Read more

De ketter van Carthago (2)

De vorig jaar verschenen historische roman De ketter van Carthago van Frans Willem Verbaas gaat niet en wel over Augustinus, Read more

Wanneer is een historicus een historicus?

Aanstaande woensdagavond is er een online-presentatie van Vincent Huninks nieuwe vertaling van de Annalen van de Romeinse auteur Tacitus. U Read more


Categoriën: Bron, Byzantijnse Rijk